ENGLISH | NEDERLANDS
Amsterdam Kliniek - Allergie, allergieen, chelatie, chelatietherapie
Hoofdpagina
Wie zijn wij?
Vragen
Behandelingen
Artikelen
Reakties van patiŽnten
Relevante links
Site map
Hoe bereikt u ons?
FIBROMYALGIE: Nieuwe Inzichten In Diagnostiek en Behandeling

INLEIDING

Fibromyalgie is een aandoening die m.n. het afgelopen decennium in toenemende mate de kop lijkt op te steken. Alleen al over de benaming van dit syndroom is het nodige te doen (geweest), daar er een enorme overlap lijkt te bestaan met het klachtenpatroon zoals dit voorkomt bij het zogenaamde chronisch vermoeidheidssyndroom (synoniemen: M.E. en postviraal syndroom). Zo stellen Bell e.a. in een onderzoek gepubliceerd in Clinical Infectious Diseases (1994) dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen het primaire juveniele fibromyalgiesyndroom (d.w.z. voorkomend bij jeugdigen) en het chronisch vermoeidheidssyndroom bij dezelfde leeftijdsgroep. In een ander onderzoek van Buchwald e.a. (Archives of Internal Medicine, 1994) wordt geconcludeerd dat het niet mogelijk is enig onderscheid te maken tussen patiŽnten met fibromyalgie, chronisch vermoeidheidssyndroom of multipele chemische overgevoeligheden.

Eťn van de meest gangbare definities van fibromyalgie is de volgende: fibromyalgie is een chronisch pijnsyndroom bestaande uit algemene spierpijn, stijfheid en zgn. tender points (plekken van verhoogde pijngevoeligheid op het lichaam), vergezeld van vermoeidheid, slaapstoornissen, hoofdpijn, angsten, depressie en spastische-darmklachten (Journal of Internal Medicine 1994, Arthritis & Rheumatism 1993, The Lancet 1993). Vele tienduizenden Nederlanders lijden in meer of mindere mate aan dit syndroom waarvoor (nog) geen eenduidige oorzaak is gevonden. Het ontbreken hiervan, in samenhang met het meestal gezonde uiterlijk van de patiŽnt en de normale bevindingen bij bloedonderzoek, leidt vaak tot ontkenning van dit ziektebeeld door huisarts, specialist, bedrijfsarts, werkgever en niet in de laatste plaats de sociale omgeving. Onterechte verwijzingen naar psychiaters en psychologen, behandeling met slaapmiddelen, tranquillizers en antidepressiva tot en met ontslag kunnen tot de vervelende consequenties hiervan behoren.

De diagnose fibromyalgiesyndroom wordt in principe gesteld op basis van de klachten en de ziektegeschiedenis; objectieve criteria om de diagnose te staven bestaan er (op dit moment) niet. Om de diagnose te kunnen stellen moeten eventueel andere oorzaken van spierpijn en vermoeidheid, zoals reumatische (auto-immuun)ziekten, bepaalde infecties, multiple sclerose, bloedarmoede, schildklierafwijkingen etc. worden uitgesloten.

De meest voorkomende klachten bij fibromyalgie zijn:

  • algemene spierpijn en/of spierzwakte
  • aanwezigheid van zgn. tender points
  • vermoeidheid slaapstoornissen (60-90%)
  • hoofdpijn
  • angsten
  • depressie (20%)
  • darmklachten
  • allergieŽn en/of intoleranties
  • concentratie- en geheugenstoornissen
  • temperatuurverhoging
  • lymfklierzwelling.

Hoewel het nodige onderzoek naar DE oorzaak van het fibromyalgiesyndroom is gedaan, zijn de meeste deskundigen momenteel van mening dat het ziektebeeld multifactorieel is bepaald. Dit betekent dat een complex van factoren de aandoening uitlokt. Zo kan b.v. een darminfectie met parasieten, gisten of schimmels aanleiding geven tot voedselovergevoeligheid (voedselintolerantie), verzwakking van het immuunsysteem en/of leverontgiftingsstoornissen. De verzwakking van het immuunsysteem leidt weer tot een grotere gevoeligheid voor infecties. Dit complex van factoren vormt een zo grote belasting voor het lichaam, dat de draagkracht ervan kan worden overschreden; fibromyalgie kan dan het gevolg zijn. Het volstaat dus meestal ook niet om slechts ťťn van de genoemde factoren te behandelen; het hele complex moet worden aangepakt en de draagkracht van het lichaam versterkt.

DIAGNOSTIEK

Zoals eerder vermeld blijkt er (ook in onze praktijk) een enorme overlap van het klachtenpatroon van "de gemiddelde" fibromyalgiepatiŽnt in vergelijking tot diegenen die lijden aan het chronisch vermoeidheidssyndroom (M.E. of postviraal syndroom) te bestaan. Dit betekent dat we voor al deze aandoeningen een gelijksoortig screeningsproces hanteren, waar nodig aangevuld met extra diagnostiek.

Feit blijft dat fibromyalgie een diagnose bij uitsluiting is, omdat het aan specifieke parameters ontbreekt. Simms e. a. rapporteerden bijvoorbeeld in een onderzoek gepubliceerd in Arthritis & Rheumatism (1994) dat er geen verschil in spierstofwisseling bestaat bij fibromyalgiepatiŽnten in vergelijking tot een controlegroep. Dit in tegenstelling tot de hypothese dat er stofwisselingsstoornissen ter plekke van de tender points zouden bestaan die voor de pijnklachten verantwoordelijk zouden zijn. Verder stelt Lorenzen in zijn overzichtsartikel in het Journal of Internal Medicine (1994) heel duidelijk dat er tot op heden geen enkel bewijs bestaat dat fibromyalgie een spierziekte is.

Een aantal onderzoeken zijn in eerste instantie van belang:

  • Zo kan regulier bloedonderzoek bloedarmoede, ijzertekort, schildklierafwijkingen, auto-immuunziekten en bepaalde infecties aan het licht brengen.
  • Nogal wat fibromyalgiepatiŽnten hebben darmklachten. Ontlastingsonderzoek om infecties met parasieten en bacteriŽn op te sporen is dan ook vaak nodig.
  • Een zeer groot aantal fibromyalgiepatiŽnten heeft in meer of mindere mate last van voedselovergevoeligheid (vaak zonder dat zelf te weten).

Voedselintolerantie of -allergie is moeilijk aan te tonen met de gebruikelijke onderzoeksmethoden, zoals huidkrastest en RAST-test. Testmethoden als IgE/IgG4-onderzoek en/of de zogenaamde cytotoxische test zijn zeer geavanceerde bloedtesten om deze intoleranties of allergieŽn wel aan te tonen.

Om de testmethode op basis van IgE/IgG4-onderzoek te begrijpen, is enig inzicht in het normale verloop van een allergische reaktie op zijn plaats. Deze is namelijk vrij complex. Bij een dergelijke reaktie besluit het lichaam op een gegeven moment op een of meerdere stoffen (allergenen genoemd) abnormaal te reageren en voornoemde stoffen als "vijanden" te beschouwen die uitgeschakeld dienen te worden. Allergenen zijn over het algemeen eiwitmoleculen. Het afweersysteem kan namelijk alleen deeltjes met een bepaalde grootte als vijand herkennen en eiwitmoleculen hebben precies de juiste maat. In een klein aantal gevallen reageert het lichaam op andere moleculen dan eiwitten. Deze moleculen zijn vaak veel kleiner en worden haptenen genoemd. Door echter verbindingen met eiwitmoleculen aan te gaan, vormen ze grotere complexen en kunnen dan alsnog door het afweersysteem worden opgemerkt. Het allergeen wordt vervolgens herkend door de zogenaamde B-cellen. Dit zijn gespecialiseerde afweercellen die in staat zijn antilichamen te produceren. Antilichamen zijn eiwitmoleculen die allergenen kunen uitschakelen. Iedere B-cel (m.n. de plasmacel die ontstaat uit de B-cel) produceert zijn eigen specifieke antilichaam, afhankelijk van het allergeen waar het op moet reageren. Het is te begrijpen dat het lichaam over miljoenen verschillende antilichamen kan beschikken.

Er bestaan vijf hoofdklassen van antilichamen (IgG, IgA, IgM, IgD en IgE) die onder verschillende omstandigheden (bestrijding van bacteriŽn, virussen, etc.) worden geproduceerd. Allergologen hebben zich met name geconcentreerd op die reakties waarbij IgE vrijkomt, het antilichaam dat bij zogenaamde type 1 oftewel acuut optredende overgevoeligheidsreakties betrokken is. Normaal bindt een antilichaam zich direkt aan de schadelijke stof en schakelt deze daarmee uit. IgE wijkt echter van deze regel af, omdat het zich namelijk eerst met een deel aan zogenaamde mestcellen bindt: deze vallen vervolgens uitelkaar, waarbij histamine en andere stoffen vrijkomen. Histamine is een chemische stof die verantwoordelijk is voor een groot aantal klachten die kunnen optreden bij allergische reakties. Het veroorzaakt o.a. spierkrampen en een ontstekingsachtig proces met roodheid en slijmvlieszwelling.

D.m.v. de IgE/IgG4-test kunnen niet alleen antilichamen van het snelle (IgE) type worden aangetoond, ook IgG4-antilichamen ten teken van een vertraagde overgevoeligheidsreaktie kunnen worden gemeten. De betrouwbaarheid van deze test om voedselovergevoeligheid vast te stellen kan op meer dan 90% worden gesteld.

Bij de cytotoxische test wordt een scala aan voedingsmiddelen in contact gebracht met de witte bloedcellen (leukocyten) van de patiŽnt. De reactie van de leukocyten op de voedingsmiddelen wordt microscopisch beoordeeld. De mate van zwelling, korreling of uiteenvallen van de cellen vormt een indicatie voor de mate van allergie of intolerantie. Deze methode is rond 80% betrouwbaar en meet ook niet-immunologische reakties op voedingsmiddelen. De beide testen vullen elkaar daarom vaak aan.

Een dieet gebaseerd op de voornoemde testuitslagen leidt vaak tot verdwijnen van de meest uiteenlopende klachten, zoals hoofdpijn, psychische klachten, darmklachten en, jawel, spierpijnen en vermoeidheid.

  • Niet zelden is er sprake van een stoornis in de bloedsuikerregeling, met name een neiging tot een laag bloedsuikergehalte oftewel hypoglycemie. Deze kan zich uiten in klachten als trillerigheid, zweten, angsten, geestelijke verwardheid, zwaktegevoel en een onbedwingbare behoefte om zoetigheid te nuttigen. Berucht zijn overigens de slaapstoornissen die ten gevolge van hypoglycemie kunnen optreden: frequent wakker worden, niet meer kunnen inslapen en algehele onrust 's nachts kunnen hiervan een uiting zijn. De patiŽnt voelt zich overigens vaak beter als hij/zij wat gegeten heeft. Met een zogenaamde verlengde glucosetolerantietest kan hypoglycemie nauwkeurig worden vastgesteld.
  • Overige nuttige tests zijn o.a. bepaling van de sterkte van het immuunsysteem (d.m.v. bloedonderzoek), haaranalyse om de mate van zware-metalenbelasting te meten en (bloed en speeksel)onderzoek om de kwaliteit van de leverontgiftingsfunctie vast te stellen.

BEHANDELING

Een centrale plaats in de behandeling wordt ingenomen door een op de patiŽnt gericht dieet, aangevuld met zogenaamde orthomoleculaire voedingssupplementen, zoals vitaminen, mineralen, enzymen, essentiŽle vetzuren en aminozuren. Deze lichaamseigen stoffen kunnen, mits in een optimale dosering toegediend, vaak tot een belangrijke verbetering in de gezondheidstoestand leiden. Dit effect wordt teweeggebracht doordat deze orthomoleculaire stoffen eventuele tekorten opheffen, het immuunsysteem activeren en de energieproductie in de cellen van het lichaam verhogen. In bepaalde gevallen is het aan te bevelen deze voedingssupplementen via een infuus toe te dienen, omdat zo een sneller effect kan worden bereikt.

Het dieet wordt onder meer vastgesteld op basis van de eerder genoemde IgE/IgG4- of cytotoxische test, de verlengde glucosetolerantietest (indien van toepassing) en het klachtenpatroon van de patiŽnt (b.v. de aanwezigheid van gisting in de darmen). Het komt nogal eens voor dat patiŽnten maandenlang op strenge diŽten worden gezet gebaseerd op algemene veronderstellingen dat producten als suiker, gist, zuivel, chocola, etc. slecht voor hen zijn. Velen knappen hiervan nauwelijks of niet op. Dit heeft ongetwijfeld te maken met het algemene karakter van zo'n dieet; het is niet gebaseerd op de individuele verschillen die er van mens tot mens bestaan. Dit probleem wordt ondervangen als van eerdergenoemde testmethoden gebruik wordt gemaakt om tot een "pasklaar" dieet te komen. Zoals gezegd verdwijnen vaak diverse klachten, waarvan de relatie met voeding meestal niet door de patiŽnt wordt onderkend, o.i.v. een hypoallergeen dieet. Ook vermoedheidsklachten, spierpijnen en depressiviteit worden vaak gunstig beÔnvloed.

In veel gevallen is het nodig om de darmen te "saneren". Dit geschiedt door ongewenste indringers (parasieten, gisten, schimmels) te doden , gewenste bacteriŽn (symbionten) aan te vullen en het darmslijmvlies (dat vaak poreus is) te herstellen.

Een zeer belangrijke aanwinst bij de behandeling van fibromyalgie is de zogenaamde enzym-gepotentieerde desensibilisatie (EPD). Deze in Engeland ontwikkelde therapie werd aanvankelijk gebruikt voor de behandeling van inhalatieallergie (zoals hooikoorts en astma) en voedselovergevoeligheid. Uit ervaring bleek dat fibromyalgiepatiŽnten die deze behandeling voor hun allergie of intolerantie ondergingen, in meer dan 50% van de gevallen een sterke verbetering of genezing van hun klachten vertoonden. Ditzelfde resultaat werd bereikt bij patiŽnten zonder allergie of intolerantie. Bij EPD wordt een kleine hoeveelheid van een groot scala aan inhalatie- en voedselallergenen in de huid geÔnjecteerd in combinatie met het enzym beta-glucuronidase. Deze injectie leidt er niet alleen toe dat het immuunsysteem de betreffende allergenen leert accepteren, maar stimuleert bovendien de zogenaamde natural killer cellen, belangrijke cellen van het immuunsysteem. Deze immuunstimulatie is waarschijnlijk deels de oorzaak van de verbetering bij fibromyalgiepatiŽnten. Recente perfectionering van EPD, toegespitst op fibromyalgie (M.E.-)patiŽnten, heeft de resultaten ervan nog aanzienlijk verbeterd. Overige behandelingsmogelijkheden zijn o.a. ozontherapie, leverontgifting en vitamine/mineraleninfusen.

Al met al is de behandeling van fibromyalgie een complexe aangelegenheid. Adviezen als rust enerzijds, fysiotherapie en ontspanningstechnieken anderzijds hebben hoogstens een toegevoegde waarde doch op de lange termijn leidt e.e.a. niet of nauwelijks tot verbetering.

Belangrijkste geraadpleegde literatuur:

  1. Fibromyalgia syndrome, a problem of tautology, Cohen ML et al, Lancet. 342(8876):906-9, 1993 Oct. 9
  2. Comparison of patients with chronic fatigue sydrome, fibromyalgia and multiple chemical sensitivities, Buchwald D et al, Arch Intern Med. 154(18):2049-53, 1994 Sep 26
  3. Lack of association between fibromyalgia syndrome and abnormalities in muscle energy metabolism, Simms RW et al, Arthritis Rheum. 37(6):794-800, 1994 Jun.
  4. Primary juvenile fibromyalgia and chronic fatigue syndrome in adolescents, Bell DS et al, Clin Infect Dis. 18 Suppl 1:S21-3, 1994 Jan.
  5. Fibromyalgia, a clinical challenge, Lorenzen I, J Intern Med. 235(3):199--203, 1994 Mar.
  6. The spectrum of fibromyalgia disorders, Comments, Arthritis Rheum. 36(5):647-50, 1993 May.
  7. Comorbidity of fibromyalgia mith medical and psychiatric disorders, Hudson JI et al, Am J Med. 92(4):363-7, 1992 Apr.

Dit artikel werd geschreven door Lydia S. Boeken, arts

Terug naar de lijst met artikelen
Stuur dit artikel naar een bekende
Copyright © 1997-2013 Amsterdam Kliniek. Alle rechten voorbehouden. Gevestigd in Nederland.